Artikel machines RICHTLIJN 89/392/EG

HOOFDSTUK 1

WERKINGSSFEER, IN DE HANDEL BRENGEN EN VRIJ VERKEER

Artikel 1

1. Deze richtlijn is van toepassing op machines en stelt de daarop betrekking hebbende fundamentele veiligheids- en gezondheidsvoorschriften vast, als omschreven in bijlage I.

2. In deze richtlijn wordt onder "machine" verstaan een samenstel van onderling verbonden onderdelen of organen

waarvan er ten minste één kan bewegen, alsmede, in voorkomend geval, van aandrijfmechanismen, bedienings- en vermogensschakelingen, enz. die in hun samenhang bestemd zijn voor een bepaalde toepassing, met name voor de verwerking, de bewerking, de verplaatsing en de verpakking van een materiaal.

Eveneens wordt als "machine" beschouwd een samenstel van machines die, ten einde tot een zelfde resultaat bij te dragen, zodanig zijn opgesteld en worden bediend dat zij in samenhang functioneren.

3. Van de werkingssfeer van deze richtlijn zijn uitgesloten:

- verplaatsbare machines,

- hef- en hijswerktuigen,

- machines die uitsluitend de fysieke energie van de mens als krachtbron hebben en daarvan rechtstreeks gebruik maken,

- machines voor medisch gebruik die rechtstreeks in aanraking komen met de patiënt,

- vast opgestelde en verplaatsbare attractietoestellen,

- stoomketels en drukvaten,

- machines speciaal ontworpen en in gebruik gesteld voor nucleair gebruik, die bij defecten het verspreiden van radioactiviteit kunnen veroorzaken,

- radioactieve bronnen die in een machine zijn ingebouwd,

- vuurwapens,

- reservoirs voor opslag en leidingen voor het vervoer van benzine, dieselolie, ontvlambare vloeistoffen en gevaarlijke stoffen.

4. Indien voor een bepaalde machine de in deze richtlijn bedoelde risico's geheel of gedeeltelijk onder een specifieke communautaire richtlijn vallen, is de onderhavige richtlijn voor die machines en die gevaren niet of niet meer van toepassing zodra de specifieke richtlijn in werking treedt.

5. Indien voor een bepaalde machine de risico's hoofdzakelijk van elektrische oorsprong zijn, is voor die machine uitsluitend van toepassing Richtlijn 73/23/EEG van de Raad van 19 februari 1973 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der Lid-Staten inzake elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (6).

Artikel 2

1. De Lid-Staten treffen alle dienstige maatregelen om ervoor te zorgen dat de machines waarop deze richtlijn van toepassing is uitsluitend in de handel gebracht en in bedrijf gesteld kunnen worden, indien zij geen gevaar opleveren voor de veiligheid en de gezondheid van personen en, in voorkomend geval, huisdieren of goederen, wanneer zij op passende wijze worden geïnstalleerd en onderhouden en overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt.

2. De bepalingen van deze richtlijn doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om met eerbiediging van het Verdrag de eisen voor te schrijven die zij noodzakelijk achten ter bescherming van personen, inzonderheid van werknemers, bij het gebruik van de betreffende machines, voor zover deze voorschriften geen wijzigingen inhouden van deze machines ten opzichte van de bepalingen van deze richtlijn.

3. De Lid-Staten verhinderen niet dat op jaarbeurzen, exposities, bij demonstraties, enz. machines worden tentoongesteld die niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze richtlijn, mits op een zichtbaar bord is aangegeven dat de machines er niet mee in overeenstemming zijn en niet te koop zijn voordat ze door de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde ermee in overeenstemming zijn gebracht. Bij demonstraties moeten alle passende veiligheidsmaatregelen worden genomen om de bescherming van personen te waarborgen.

Artikel 3

De machines waarop deze richtlijn van toepassing is moeten voldoen aan de in bijlage I opgenomen fundamentele veiligheids- en gezondheidsvoorschriften.

Artikel 4

1. De Lid-Staten mogen het in de handel brengen en in bedrijf stellen op hun grondgebied van machines die voldoen aan de bepalingen van deze richtlijn, niet verbieden, beperken of verhinderen.

2. De Lid-Staten mogen het in de handel brengen van machines die volgens de in bijlage II, punt B, bedoelde verklaring van de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde ertoe bestemd zijn te worden ingebouwd in een machine of met andere machines te worden samengebouwd tot één machine waarop deze richtlijn van toepassing is, niet verbieden, beperken of belemmeren, behalve indien genoemde machines zelfstandig kunnen werken.

Artikel 5

1. Machines die zijn voorzien van het EG-merkteken en vergezeld gaan van de in bijlage II bedoelde EG-verklaring van overeenstemming, worden door de Lid-Staten geacht in overeenstemming te zijn met de in artikel 3 bedoelde fundamentele veiligheids- en gezondheidsvoorschriften.

Bij ontbreken van geharmoniseerde normen treffen de Lid-Staten de maatregelen die zij nodig achten om de betrokken partijen in kennis te stellen van de bestaande nationale technische normen en specificaties die van belang of nuttig worden geacht voor de juiste toepassing van de fundamentele veiligheids- en gezondheidsvoorschriften van bijlage I.

2. Wanneer een nationale norm die de omzetting is van een geharmoniseerde norm, waarvan de referentie in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen is gepubliceerd, een of meer fundamentele veiligheidsvoorschriften

omvat, wordt aangenomen dat de volgens deze norm gebouwde machine voldoet aan de desbetreffende fundamentele voorschriften.

De Lid-Staten publiceren de referenties van de nationale normen die omzettingen zijn van de geharmoniseerde normen.

3. De Lid-Staten zien erop toe dat er passende maatregelen worden genomen om de sociale partners in staat te stellen op nationaal niveau invloed uit te oefenen op de opstelling van de geharmoniseerde normen en het gevolg dat daaraan wordt gegeven.

Artikel 6

1. Wanneer een Lid-Staat of de Commissie van mening is dat de in artikel 5, lid 2, bedoelde geharmoniseerde normen niet geheel voldoen aan de in artikel 3 bedoelde fundamentele voorschriften, legt de Commissie of de Lid-Staat de kwestie, met een toelichting, voor aan het bij Richtlijn 83/189/EEG ingestelde Permanent Comité. Het Comité brengt met spoed advies uit.

Afhankelijk van het advies van het Comité stelt de Commissie de Lid-Staten in kennis van de noodzaak de betreffende normen al dan niet uit de in artikel 5, lid 2, bedoelde publikaties te verwijderen.

2. Er wordt een Permanent Comité opgericht, dat is samengesteld uit door de Lid-Staten aangewezen vertegenwoordigers en dat door een vertegenwoordiger van de Commissie wordt voorgezeten.

Het Permanent Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Volgens onderstaande procedure kunnen aan het Permanent Comité alle kwesties worden voorgelegd die verband houden met de tenuitvoerlegging en de praktische toepassing van deze richtlijn.

De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt binnen een termijn die de Voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie advies uit over dit ontwerp, zo nodig door middel van een stemming.

Het advies wordt in de notulen opgenomen; voorts heeft iedere Lid-Staat het recht te verzoeken dat zijn standpunt in de notulen wordt opgenomen.

De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het door het Comité uitgebrachte advies. Zij brengt het Comité op de hoogte van de wijze waarop zij rekening heeft gehouden met zijn advies.

Artikel 7

1. Wanneer een Lid-Staat vaststelt dat machines die voorzien zijn van het EG-merkteken en overeenkomstig hun

gebruiksdoel worden gebruikt, de veiligheid van personen en, in voorkomend geval, van huisdieren of goederen, in gevaar dreigen te brengen, neemt hij alle nodige maatregelen om de machines uit de handel te nemen, het in de handel brengen en het in bedrijf stellen te verbieden of het vrije verkeer ervan te beperken.

De Lid-Staat stelt de Commissie onmiddellijk van deze maatregel in kennis, geeft de redenen van zijn besluit aan, met name of het gebrek aan overeenstemming voortvloeit uit:

a) het niet in acht nemen van de in artikel 3 bedoelde fundamentele voorschriften;

b) een verkeerde toepassing van de in artikel 5, lid 2, bedoelde normen;

c) een tekortkoming in de in artikel 5, lid 2, bedoelde normen zelf.

2. De Commissie treedt zo spoedig mogelijk met de betrokken partijen in overleg. Wanneer de Commissie na afloop van het overleg vaststelt dat de maatregel gerechtvaardigd is, stelt zij de Lid-Staat die hem heeft genomen en de overige Lid-Staten daarvan onmiddellijk in kennis. Wanneer de Commissie na dit overleg vaststelt dat de maatregel niet gerechtvaardigd is, stelt zij de Lid-Staat die hem heeft genomen alsook de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde daarvan onmiddellijk in kennis. Wanneer de reden van het in lid 1 bedoelde besluit een tekortkoming in de normen is, legt de Commissie, indien de Lid-Staat die het besluit heeft genomen dit wil handhaven, de kwestie aan het Comité voor en leidt zij de in artikel 6, lid 1, bedoelde procedure in.

3. Wanneer een machine die niet in overeenstemming is, het EG-merkteken draagt, neemt de bevoegde Lid-Staat passende maatregelen tegen degene die het merkteken heeft aangebracht en stelt hij de Commissie en de overige Lid-Staten daarvan in kennis.

4. De Commissie zorgt ervoor dat de Lid-Staten op de hoogte worden gehouden van het verloop en de resultaten van de procedure.

HOOFDSTUK II

CERTIFICERINGSPROCEDURE

Artikel 8

1. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde, moet, om te kunnen verklaren dat zijn machines in overeenstemming met de bepalingen van deze richtlijn zijn, voor elke gefabriceerde machine een EG-verklaring van overeenstemming opstellen bestaande uit de in bijlage II vermelde onderdelen, en op de machine het in artikel 10 bedoelde EG-merkteken aanbrengen.

2. Voordat de machine in de handel wordt gebracht, moet de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde:

a) indien bijlage IV niet op de machine van toepassing is, het in bijlage V bedoelde dossier samenstellen;

b) indien bijlage IV op de machine van toepassing is en de fabricage niet of slechts gedeeltelijk volgens de in artikel 5, lid 2, bedoelde normen heeft plaatsgevonden, of indien zulke normen ontbreken, een model van de machine aan het in bijlage VI bedoelde EG-typeonderzoek onderwerpen;

c) indien bijlage IV op de machine van toepassing is en de fabricage volgens de in artikel 5, lid 2, bedoelde normen heeft plaatsgevonden:

- hetzij het in bijlage VI bedoelde dossier samenstellen en toezenden aan de keuringsinstantie waarvan kennisgeving is gedaan, waarna deze instantie zo spoedig mogelijk bericht van ontvangst zal geven en het dossier zal bewaren;

- hetzij het in bijlage VI bedoelde dossier voorleggen aan de keuringsinstantie waarvan kennisgeving is gedaan, waarna deze instantie zal nagaan of de in artikel 5, lid 2, bedoelde normen correct zijn toegepast en een verklaring van geschiktheid van dit dossier zal opstellen;

- hetzij een model van de machine aan het in bijlage VI bedoelde EG-typeonderzoek onderwerpen.

3. In het geval bedoeld in lid 2, onder c), eerste streepje, is het bepaalde in punt 5, eerste zin, en in punt 7 van bijlage VI van overeenkomstige toepassing.

In het geval bedoeld in lid 2, onder c), tweede streepje, is het bepaalde in de punten 5, 6 en 7 van bijlage VI van overeenkomstige toepassing.

4. Indien lid 2, onder a), en punt c), eerste en tweede streepje, van toepassing zijn, mag de EG-verklaring van overeenstemming uitsluitend de overeenstemming met de fundamentele veiligheidsvoorschriften van de richtlijn vaststellen.

In de gevallen bedoeld in lid 2, onder b), of onder c), derde streepje, moet de EG-verklaring van overeenstemming de overeenstemming vaststellen met het model dat een EG-typeonderzoek heeft ondergaan.

5. Wanneer de machines onderworpen zijn aan andere communautaire richtlijnen die op andere aspecten betrekking hebben, bewijst de in artikel 10 bedoelde EG-verklaring in deze gevallen dat de machines ook aan de eisen van deze andere richtlijnen voldoen.

6. Indien de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde niet aan de verplichtingen van de voorgaande leden heeft voldaan, rusten deze verplichtingen op een ieder die de machine in de Gemeenschap in de handel brengt. Dezelfde verplichtingen gelden voor diegene die machines of machineonderdelen van verschillende herkomst assembleert of die de machine voor zijn eigen gebruik vervaardigt.

Artikel 9

1. Iedere Lid-Staat stelt de Commissie en de overige Lid-Staten ervan in kennis welke instanties met de uitvoering van de certificatieprocedures bedoeld in artikel 8, lid 2, onder b) en c), zijn belast. De Commissie publiceert, ter informatie, de lijst van deze instanties in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen en draagt zorg voor de bijwerking ervan.

2. De Lid-Staten moeten de in bijlage VII opgenomen criteria hanteren voor de beoordeling van de instanties waarvan kennisgeving moet worden gedaan. De instanties die voldoen aan de beoordelingscriteria welke in de desbetreffende geharmoniseerde normen zijn opgenomen, worden geacht aan de genoemde criteria te voldoen.

3. Een Lid-Staat die een instantie heeft aangewezen, moet zijn kennisgeving ongedaan maken, indien hij vaststelt dat de instantie niet meer aan de in bijlage VII bedoelde criteria beantwoordt. Hij stelt de Commissie en de overige Lid-Staten daarvan onmiddellijk in kennis.

HOOFDSTUK III

EG-MERKTEKEN

Artikel 10

1. Het EG-merkteken bestaat uit de afkorting "CE", gevolgd door de laatste twee cijfers van het jaar waarin het merkteken is aangebracht.

In bijlage III is het te gebruiken model afgebeeld.

2. Het EG-merkteken moet duidelijk leesbaar op de machine worden aangebracht overeenkomstig punt 1.7.3 van bijlage I.

3. Het is verboden om op machines merktekens of opschriften aan te brengen die met het EG-merkteken kunnen worden verward.

HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 11

Ieder krachtens deze richtlijn genomen besluit dat ertoe leidt dat het in de handel brengen en het in bedrijf stellen van een machine wordt beperkt, wordt nauwkeurig gemotiveerd. Het wordt zo spoedig mogelijk aan de belanghebbende meegedeeld met vermelding van de rechtsmiddelen die volgens de in de betrokken Lid-Staat geldende wetgeving openstaan, alsmede van de termijnen waarbinnen deze rechtsmiddelen moeten worden ingesteld.

Artikel 12

De Commissie treft de noodzakelijke maatregelen opdat de gegevens over alle ter zake dienende besluiten die op het beheer van deze richtlijn betrekking hebben, beschikbaar worden gesteld.

Artikel 13

1. De Lid-Staten dienen vóór 1 januari 1992 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie hiervan onmiddellijk in kennis.

Zij passen deze bepalingen toe vanaf 31 december 1992.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 14

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Luxemburg, 14 juni 1989.

Voor de Raad

De Voorzitter

P. SOLBES