Artikel machines RICHTLIJN 98/37/EG

HOOFDSTUK I WERKINGSSFEER, IN DE HANDEL BRENGEN EN VRIJ VERKEER

Artikel 1

1. Deze richtlijn is van toepassing op machines en stelt de daarop betrekking hebbende fundamentele veiligheids- en gezondheidsvoorschriften vast, als omschreven in bijlage I.

Deze richtlijn is ook van toepassing op veiligheidscomponenten wanneer die afzonderlijk in de handel worden gebracht.

2. In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) machine:

- een samenstel van onderling verbonden onderdelen of organen waarvan er ten minste één kan bewegen, alsmede, in voorkomend geval, van aandrijfmechanismen, bedienings- en vermogensschakelingen enz. die in hun samenhang bestemd zijn voor een bepaalde toepassing, met name voor de verwerking, de bewerking, de verplaatsing en de verpakking van een materiaal,

- een samenstel van machines die, teneinde tot een zelfde resultaat bij te dragen, zodanig zijn opgesteld en worden bediend dat zij in samenhang functioneren,

- een verwisselbaar uitrustingsstuk waardoor de functie van de machine wordt gewijzigd en dat in de handel wordt gebracht om door de bediener zelf aan een machine of een aantal verschillende machines, dan wel aan een trekker te worden aangebracht, voorzover dit uitrustingsstuk geen vervangingsonderdeel noch een werktuig is;

b) veiligheidscomponent: een component, voorzover die geen verwisselbaar uitrustingsstuk is, die door de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde in de handel wordt gebracht juist om bij gebruik een veiligheidsfunctie te vervullen en waarvan een gebrek of de slechte werking een gevaar vormt voor de veiligheid of de gezondheid van de blootgestelde personen.

3. Van de werkingssfeer van deze richtlijn zijn uitgesloten:

- machines die uitsluitend de fysieke energie van de mens als krachtbron hebben en daarvan rechtstreeks gebruik maken, behalve die welke worden gebruikt voor het hijsen/heffen van lasten;

- machines voor medische doeleinden die in rechtstreeks contact met de patiënt worden gebruikt;

- vast opgestelde en verplaatsbare attractietoestellen;

- stoomketels en drukvaten;

- machines speciaal ontworpen en in gebruik gesteld voor nucleair gebruik, waarbij een defect ervan tot het vrijkomen van radioactiviteit kan leiden;

- radioactieve bronnen die in een machine zijn ingebouwd;

- vuurwapens;

- reservoirs voor opslag en leidingen voor het vervoer van benzine, dieselolie, ontvlambare vloeistoffen en gevaarlijke stoffen;

- transportmiddelen, dit wil zeggen voertuigen en aanhangwagens daarvan die uitsluitend zijn bestemd voor het vervoer van personen door de lucht, via openbare wegen- of spoorwegnetten dan wel over water, alsmede transportmiddelen voorzover die zijn ontworpen voor het vervoer van goederen door de lucht, via openbare wegen- of spoorwegnetten dan wel over water. Niet uitgesloten zijn voertuigen die in de mijnbouwindustrie worden gebruikt;

- zeeschepen en mobiele offshore-eenheden alsmede uitrustingen aan boord van zulke schepen of eenheden;

- kabelinstallaties, met inbegrip van kabelsporen, voor openbaar of niet-openbaar personenvervoer;

- landbouw- en bosbouwtrekkers als omschreven in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 74/150/EEG (7);

- machines die speciaal zijn ontworpen en gebouwd voor militaire doeleinden of het handhaven van de orde;

- liften die permanent bepaalde stopplaatsen van gebouwen en bouwwerken bedienen, met behulp van een kooi die langs vaste, ten opzichte van het horizontale vlak meer dan 15 graden hellende geleiders beweegt, en die bestemd is voor vervoer van:

i) personen,

ii) personen en goederen,

iii) uitsluitend goederen indien de kooi toegankelijk is, d.w.z. waarin een persoon zonder moeite kan binnengaan, en uitgerust is met bedieningsorganen die in de cabine of binnen het bereik van een zich aldaar bevindend persoon gesitueerd zijn;

- transportmiddelen voor personenvervoer die gebruik maken van tandradvoertuigen;

- mijnliften;

- toneelhefwerktuigen;

- bouwliften, bestemd voor het heffen van personen of personen en goederen.

4. Indien voor een machine of een veiligheidscomponent de in deze richtlijn bedoelde risico's geheel of gedeeltelijk onder een specifieke communautaire richtlijn vallen, is de onderhavige richtlijn voor die machines of die veiligheidscomponenten en die gevaren niet of niet meer van toepassing, zodra de specifieke richtlijn wordt toegepast.

5. Indien voor een bepaalde machine de risico's hoofdzakelijk van elektrische oorsprong zijn, is voor die machine uitsluitend Richtlijn 73/23/EEG (8) van toepassing.

Artikel 2

1. De lidstaten treffen alle dienstige maatregelen om ervoor te zorgen dat de machines of veiligheidscomponenten waarop deze richtlijn van toepassing is, uitsluitend in de handel kunnen worden gebracht en in bedrijf gesteld indien zij geen gevaar opleveren voor de veiligheid en de gezondheid van personen en, in voorkomend geval, van huisdieren of voor de veiligheid van goederen en indien zij op passende wijze worden geïnstalleerd en onderhouden en overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt.

2. De bepalingen van deze richtlijn doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om, met inachtneming van het Verdrag, de eisen voor te schrijven die zij noodzakelijk achten ter bescherming van personen, inzonderheid van werknemers, bij het gebruik van de bedoelde machines of veiligheidscomponenten, voorzover deze voorschriften geen wijzigingen inhouden van deze machines of veiligheidscomponenten ten opzichte van de bepalingen van deze richtlijn.

3. De lidstaten verhinderen niet dat, met name op jaarbeurzen, op exposities en bij demonstraties, machines of veiligheidscomponenten worden tentoongesteld die niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze richtlijn, mits op een zichtbaar bord is aangegeven dat de machines of veiligheidscomponenten niet daarmee in overeenstemming zijn en niet te koop zijn voordat zij door de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde met die bepalingen in overeenstemming zijn gebracht. Bij demonstraties moeten alle passende veiligheidsmaatregelen worden genomen om de bescherming van personen te waarborgen.

Artikel 3

De machines en veiligheidscomponenten waarop deze richtlijn van toepassing is, moeten voldoen aan de in bijlage I opgenomen fundamentele veiligheids- en gezondheidsvoorschriften.

Artikel 4

1. De lidstaten mogen het op hun grondgebied in de handel brengen en in bedrijf stellen van machines en veiligheidscomponenten die voldoen aan de bepalingen van deze richtlijn, niet verbieden, beperken of verhinderen.

2. De lidstaten mogen het in de handel brengen van machines die volgens de in bijlage II, deel B, bedoelde verklaring van de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde ertoe bestemd zijn te worden ingebouwd in een machine of met andere machines te worden samengebouwd tot één machine waarop deze richtlijn van toepassing is, niet verbieden, beperken of belemmeren, behalve indien genoemde machines zelfstandig kunnen werken.

Verwisselbare uitrustingsstukken bedoeld in artikel 1, lid 2, onder a), derde streepje, moeten in alle gevallen voorzien zijn van de CE-markering en vergezeld gaan van de in bijlage II, deel A, bedoelde EG-verklaring van overeenstemming.

3. De lidstaten mogen het in de handel brengen van veiligheidscomponenten als omschreven in artikel 1, lid 2, niet verbieden, beperken of belemmeren indien deze vergezeld gaan van de in bijlage II, deel C, bedoelde EG-verklaring van overeenstemming van de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde.

Artikel 5

1. De lidstaten beschouwen als in overeenstemming te zijn met het bepaalde in deze richtlijn, met inbegrip van de conformiteitsbeoordelingsprocedures van hoofdstuk II:

- machines die voorzien zijn van de CE-markering en vergezeld gaan van de in bijlage II, deel A, bedoelde EG-verklaring van overeenstemming;

- veiligheidscomponenten die vergezeld gaan van de in bijlage II, deel C, bedoelde EG-verklaring van overeenstemming.

Bij ontbreken van geharmoniseerde normen treffen de lidstaten de maatregelen die zij nodig achten om de betrokken partijen in kennis te stellen van de bestaande nationale normen en technische specificaties die van belang of nuttig worden geacht voor de juiste toepassing van de fundamentele veiligheids- en gezondheidsvoorschriften van bijlage I.

2. Wanneer een nationale norm die de omzetting is van een geharmoniseerde norm, waarvan de referentie in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen is gepubliceerd, een of meer fundamentele veiligheidsvoorschriften omvat, wordt aangenomen dat de volgens deze norm gebouwde machine of veiligheidscomponent voldoet aan de desbetreffende fundamentele voorschriften.

De lidstaten publiceren de referenties van de nationale normen die een omzetting zijn van de geharmoniseerde normen.

3. De lidstaten zien erop toe dat er passende maatregelen worden genomen om de sociale partners in staat te stellen op nationaal niveau invloed uit te oefenen op de opstelling van de geharmoniseerde normen en op het gevolg dat daaraan wordt gegeven.

Artikel 6

1. Wanneer een lidstaat of de Commissie van mening is dat de in artikel 5, lid 2, bedoelde geharmoniseerde normen niet geheel voldoen aan de in artikel 3 bedoelde fundamentele voorschriften, legt de Commissie of de lidstaat de kwestie, met vermelding van de redenen, voor aan het bij Richtlijn 83/189/EEG ingestelde comité. Het comité brengt met spoed advies uit.

Afhankelijk van het advies van het comité stelt de Commissie de lidstaten in kennis van de noodzaak de betreffende normen al dan niet uit de in artikel 5, lid 2, bedoelde publicaties te verwijderen.

2. Er wordt een permanent comité opgericht, dat is samengesteld uit door de lidstaten aangewezen vertegenwoordigers en dat door een vertegenwoordiger van de Commissie wordt voorgezeten.

Het permanent comité stelt zijn reglement van orde vast.

Volgens onderstaande procedure kunnen aan het permanent comité alle kwesties worden voorgelegd die verband houden met de tenuitvoerlegging en de praktische toepassing van deze richtlijn.

De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie, advies uit over dit ontwerp, zo nodig door middel van een stemming.

Het advies wordt in de notulen opgenomen; voorts heeft iedere lidstaat het recht te verzoeken dat zijn standpunt in de notulen wordt opgenomen.

De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het door het comité uitgebrachte advies. Zij brengt het comité op de hoogte van de wijze waarop zij rekening heeft gehouden met zijn advies.

Artikel 7

1. Wanneer een lidstaat vaststelt dat

- machines die voorzien zijn van de CE-markering, of

- veiligheidscomponenten die vergezeld gaan van de EG-verklaring van overeenstemming,

bij gebruik overeenkomstig hun gebruiksdoel, de veiligheid van personen en, in voorkomend geval, van huisdieren of goederen in gevaar dreigen te brengen, neemt hij alle nodige maatregelen om de machines of de veiligheidscomponenten uit de handel te nemen, het in de handel brengen en in bedrijf stellen te verbieden of het vrije verkeer ervan te beperken.

De lidstaat stelt de Commissie onmiddellijk van deze maatregel in kennis en geeft de redenen van zijn besluit aan, met name of het gebrek aan overeenstemming voortvloeit uit:

a) het niet in acht nemen van de in artikel 3 bedoelde fundamentele voorschriften;

b) een verkeerde toepassing van de in artikel 5, lid 2, bedoelde normen;

c) een leemte in de in artikel 5, lid 2, bedoelde normen zelf.

2. De Commissie treedt zo spoedig mogelijk met de betrokken partijen in overleg. Wanneer de Commissie na afloop van het overleg vaststelt dat de maatregel gerechtvaardigd is, stelt zij de lidstaat die hem heeft genomen en de overige lidstaten daarvan onmiddellijk in kennis. Wanneer de Commissie na dit overleg vaststelt dat de maatregel niet gerechtvaardigd is, stelt zij de lidstaat die hem heeft genomen alsook de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde daarvan onmiddellijk in kennis. Wanneer de reden van het in lid 1 bedoelde besluit een leemte in de normen is, legt de Commissie, indien de lidstaat die het besluit heeft genomen, dit wil handhaven, de kwestie aan het comité voor en leidt zij de in artikel 6, lid 1, bedoelde procedure in.

3. Wanneer

- een machine die niet in overeenstemming is, de CE-markering draagt, of

- een veiligheidscomponent die niet in overeenstemming is, vergezeld gaat van een EG-verklaring van overeenstemming,

neemt de bevoegde lidstaat passende maatregelen tegen degene die de markering heeft aangebracht of de verklaring heeft opgesteld en stelt hij de Commissie en de overige lidstaten daarvan in kennis.

4. De Commissie zorgt ervoor dat de lidstaten op de hoogte worden gehouden van het verloop en de resultaten van de procedures.

HOOFDSTUK II PROCEDURES VOOR ONDERZOEK NAAR OVEREENSTEMMING

Artikel 8

1. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde moet, om te kunnen verklaren dat zijn machines en veiligheidscomponenten in overeenstemming met deze richtlijn zijn, voor elke gefabriceerde machine, respectievelijk veiligheidscomponent, een EG-verklaring van overeenstemming opstellen bestaande uit de in bijlage II, deel A, respectievelijk deel C, vermelde onderdelen.

Voor machines geldt bovendien dat de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde op de machine de CE-markering moet aanbrengen.

2. Voordat de machine in de handel wordt gebracht, moet de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde:

a) indien bijlage IV niet op de machine van toepassing is, het in bijlage V bedoelde dossier samenstellen;

b) indien bijlage IV op de machine van toepassing is en de fabricage niet of slechts gedeeltelijk volgens de in artikel 5, lid 2, bedoelde normen heeft plaatsgevonden, of indien zulke normen ontbreken, een model van de machine aan het in bijlage VI bedoelde EG-typeonderzoek onderwerpen;

c) indien bijlage IV op de machine van toepassing is en de fabricage volgens de in artikel 5, lid 2, bedoelde normen heeft plaatsgevonden:

- hetzij het in bijlage VI bedoelde dossier samenstellen en toezenden aan de keuringsinstantie waarvan kennisgeving is gedaan, waarna deze instantie zo spoedig mogelijk bericht van ontvangst zal geven en het dossier zal bewaren,

- hetzij het in bijlage VI bedoelde dossier voorleggen aan de keuringsinstantie waarvan kennisgeving is gedaan, waarna deze instantie zal nagaan of de in artikel 5, lid 2, bedoelde normen correct zijn toegepast en een verklaring van geschiktheid van dit dossier zal opstellen,

- hetzij een model van de machine aan het in bijlage VI bedoelde EG-typeonderzoek onderwerpen.

3. Bij toepassing van lid 2, onder c), eerste streepje, van het onderhavige artikel is het bepaalde in punt 5, eerste zin, en in punt 7 van bijlage VI van overeenkomstige toepassing.

Bij toepassing van lid 2, onder c), tweede streepje, van het onderhavige artikel is het bepaalde in de punten 5, 6 en 7 van bijlage VI van overeenkomstige toepassing.

4. Bij toepassing van lid 2, onder a), en lid 2, onder c), eerste en tweede streepje, moet de EG-verklaring van overeenstemming slechts de overeenstemming met de fundamentele veiligheidsvoorschriften van de richtlijn vaststellen.

Bij toepassing van lid 2, onder b), of lid 2, onder c), derde streepje, moet de EG-verklaring van overeenstemming de overeenstemming vaststellen met het model dat een EG-typeonderzoek heeft ondergaan.

5. Voor veiligheidscomponenten gelden de certificeringsprocedures die ingevolge de leden 2, 3 en 4 op machines van toepassing zijn. Wanneer een EG-typeonderzoek wordt uitgevoerd, gaat de keuringsinstantie waarvan kennisgeving is gedaan, bovendien na of de veiligheidscomponent de veiligheidsfuncties kan vervullen die door de fabrikant zijn opgegeven.

6. a) Indien machines met betrekking tot andere aspecten onder andere richtlijnen vallen die voorzien in het aanbrengen van de CE-markering, geeft de markering aan dat de machines geacht worden ook aan de voorschriften van deze andere richtlijnen te voldoen.

b) Indien echter in één of meer van deze richtlijnen gedurende een overgangsperiode de fabrikant de keuze van de toe te passen regeling wordt gelaten, geeft de CE-markering aan dat aan de voorschriften van slechts de door de fabrikant toegepaste richtlijnen is voldaan. In dat geval moeten de in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte referenties van de toegepaste richtlijnen worden vermeld op de door deze richtlijnen voorgeschreven documenten, handleidingen of gebruiksaanwijzingen die bij deze machines zijn gevoegd.

7. Indien de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde niet aan de verplichtingen van de leden 1 tot en met 6 heeft voldaan, rusten deze verplichtingen op een ieder die de machine of de veiligheidscomponent in de Gemeenschap in de handel brengt. Dezelfde verplichtingen gelden voor diegene die machines of machineonderdelen of veiligheidscomponenten van verschillende herkomst assembleert of die de machine of de veiligheidscomponent voor zijn eigen gebruik vervaardigt.

8. De verplichtingen van lid 7 gelden niet voor degenen die een verwisselbaar uitrustingsstuk als bedoeld in artikel 1 op een machine of een trekker aansluiten, mits de elementen compatibel zijn en alle delen waaruit de machine na die aansluiting bestaat, zijn voorzien van de CE-markering en vergezeld gaan van de EG-verklaring van overeenstemming.

Artikel 9

1. De lidstaten delen de Commissie en de overige lidstaten mee welke instanties zij met de in artikel 8 bedoelde procedure hebben belast, met welke specifieke taken deze instanties zijn belast en welk identificatienummer de Commissie hun vooraf heeft toegekend.

De Commissie publiceert in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen de lijst van deze instanties met hun nummer en de taken waarvoor zij zijn aangemeld. Zij zorgt voor de bijwerking van deze lijst

2. De lidstaten moeten de in bijlage VII opgenomen criteria hanteren voor de beoordeling van de instanties waarvan kennisgeving moet worden gedaan. De instanties die voldoen aan de beoordelingscriteria welke in de desbetreffende geharmoniseerde normen zijn opgenomen, worden geacht aan de genoemde criteria te voldoen.

3. Een lidstaat die een instantie heeft aangewezen, moet zijn kennisgeving ongedaan maken, indien hij vaststelt dat de instantie niet meer aan de in bijlage VII bedoelde criteria beantwoordt. Hij stelt de Commissie en de overige lidstaten daarvan onmiddellijk in kennis.

HOOFDSTUK III CE-MARKERING

Artikel 10

1. De CE-markering van overeenstemming bestaat uit de initialen "CE". In bijlage III is het te gebruiken model afgebeeld.

2. De CE-markering moet duidelijk leesbaar op de machine worden aangebracht overeenkomstig punt 1.7.3 van bijlage I.

3. Op de machines mogen geen markeringen worden aangebracht die derden kunnen misleiden omtrent de betekenis of de grafische vorm van de CE-markering. Op de machines mogen andere markeringen worden aangebracht op voorwaarde dat de zichtbaarheid en de leesbaarheid van de CE-markering niet worden verminderd.

4. Onverminderd artikel 7:

a) ontstaat, wanneer een lidstaat vaststelt dat de CE-markering ten onrechte is aangebracht, voor de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde de verplichting om onder de door deze lidstaat gestelde voorwaarden het product in overeenstemming te brengen met de bepalingen inzake de CE-markering en aan de inbreuk een einde te maken;

b) treft de lidstaat, indien de niet-overeenstemming blijft bestaan, alle nodige maatregelen om overeenkomstig de procedure van artikel 7 het in de handel brengen van het bewuste product te beperken of te verbieden dan wel het uit de handel te laten nemen.

HOOFDSTUK IV SLOTBEPALINGEN

Artikel 11

Ieder krachtens deze richtlijn genomen besluit dat ertoe leidt dat het in de handel brengen en het in bedrijf stellen van een machine of van een veiligheidscomponent wordt beperkt, wordt nauwgezet met redenen omkleed. Het wordt zo spoedig mogelijk aan de belanghebbende meegedeeld met vermelding van de rechtsmiddelen die volgens de in de betrokken lidstaat geldende wetgeving openstaan, alsmede van de termijn waarbinnen deze rechtsmiddelen moeten worden ingesteld.

Artikel 12

De Commissie treft de noodzakelijke maatregelen opdat de gegevens over alle terzake dienende besluiten die op het beheer van deze richtlijn betrekking hebben, beschikbaar worden gesteld.

Artikel 13

1. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

2. Vóór 1 januari 1994 onderzoekt de Commissie de stand van de normalisatiewerkzaamheden betreffende deze richtlijn en stelt in voorkomend geval de passende maatregelen voor.

Artikel 14

De richtlijnen genoemd in bijlage VIII, deel A, worden ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten wat betreft de in bijlage VIII, deel B, opgenomen tijdslimieten voor de omzetting en de toepassing ervan.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IX.

Artikel 15

De huidige richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgend op die van haar publicatie in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 16

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Luxemburg, 22 juni 1998.                                         

Voor het Europees Parlement

Voor de Raad

De Voorzitter

De Voorzitter

J. M. GIL-ROBLES J. CUNNINGHAM