Resolutie van de Raad van 7 mei 1985 betreffende een nieuwe aanpak

Resolutie van de Raad van 7 mei 1985 betreffende een nieuwe aanpak op het gebied van de technische harmonisatie en normalisatie 

Publicatieblad Nr. C 136 van 04/06/1985 blz. 0001 - 0009
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 16 Deel 1 blz. 0248 
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 16 Deel 1 blz. 0248 

 

RESOLUTIE VAN DE RAAD van 7 mei 1985 betreffende een nieuwe aanpak op het gebied van de technische harmonisatie en normalisatie (85/C 136/01)

DE RAAD

in aansluiting op zijn op 16 juli 1984 goedgekeurde conclusies betreffende de normalisatie (bijlage I);

beklemtoont dat er voor de huidige situatie op het gebied van de technische handelsbelemmeringen en de daaruit voortvloeiende onzekerheid voor het bedrijfsleven dringend een oplossing moet worden gevonden;

beklemtoont het belang en de wenselijkheid van de nieuwe aanpak waarbij voor de omschrijving van de technische kenmerken van produkten naar bij voorrang Europese en zo nodig bij wijze van overgang nationale normen wordt verwezen, welke aanpak door de Commissie is uiteengezet in haar mededeling van 31 januari 1985, die aansluit op bepaalde richtsnoeren die het Europese Parlement in zijn resolutie van 16 oktober 1980 heeft goedgekeurd, alsmede op de conclusies van de Raad van 16 juli 1984;

is zich ervan bewust dat de nieuwe aanpak zal moeten worden aangevuld met een beleid inzake de evaluatie van de overeenstemming en verzoekt de Commissie dan ook, deze materie bij voorrang te behandelen en al haar werkzaamheden op dit terrein te bespoedigen;

keurt de richtsnoeren goed zoals deze zijn uiteengezet in het schema met de voornaamste beginselen en elementen die in het dispositief van de richtlijnen moeten worden opgenomen (bijlage II van deze resolutie);

verzoekt de Commissie hem zo spoedig mogelijk passende voorstellen te doen.

BIJLAGE I CONCLUSIES BETREFFENDE NORMALISATIE (goedgekeurd door de Raad op 16 juli 1984)

De Raad is van oordeel dat normalisatie in belangrijke mate bijdraagt tot het vrije verkeer van industriële produkten en daarenboven tot het scheppen van een gemeenschappelijke technische omgeving voor alle bedrijven ; ze draagt bij tot de verbetering van de industriële mededinging zowel op de communautaire markt als op de buitenmarkten, onder andere wat de nieuwe technologieën betreft.

De Raad stelt vast dat de door de Lid-Staten nagestreefde doelstellingen voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van hun burgers alsook de consumentenbescherming in wezen gelijkwaardig zijn, ook al worden verschillende technische middelen voor de tenuitvoerlegging hiervan aangewend.

De Raad neemt daarom de volgende richtlijnen aan voor een Europese normalisatiepolitiek: - verbintenis tussen de Lid-Staten om permanent een onderzoek in te stellen naar de technische voorschriften die op hun grondgebied de jure of de facto van toepassing zijn, ten einde verouderde of overbodige voorschriften af te schaffen;

- verbintenis tussen de Lid-Staten om toe te zien op de onderlinge erkenning van resultaten van proefnemingen en zo nodig vaststelling van geharmoniseerde voorschriften voor het functioneren van instanties die certificaten afgeven;

- instemming met snel te voeren communautair overleg op passend niveau, overeenkomstig de doelstellingen van Richtlijn 189/83/EEG, wanneer belangrijke nationale reglementaire procedures ongunstige gevolgen zouden hebben voor de werking van de interne markt;

- uitbreiding, in de praktijk van de Gemeenschap op het gebied van de technische harmonisatie, van het systeem van verwijzing naar in de eerste plaats Europese, en zo nodig nationale, normen, de taak om de technische eigenschappen van die produkten te omschrijven, voor zover de daartoe noodzakelijke voorwaarden, met name inzake de gezondheid en de veiligheid van de consumenten, aanwezig zijn;

- zeer snelle versterking van de normalisatiecapaciteit, bij voorrang op Europees niveau, om enerzijds de legislatieve communautaire harmonisatie, en anderzijds de industriële ontwikkeling, met name in de nieuwe technologieën, te vergemakkelijken, wat in bijzondere omstandigheden zou kunnen leiden tot de instelling van nieuwe procedures door de Gemeenschap met het oog op een verbeterde vaststelling van de normen (bijvoorbeeld normalisatiebureaus, ad hoc comités). Voordat Europese normen worden aangenomen, zouden ze door Europese normalisatie-instellingen moeten worden goedgekeurd.

In het bijzonder met betrekking tot de sectoren van de geavanceerde technologie moeten de onderwerpen worden bepaald waarvoor gemeenschappelijke voorschriften en normen de mogelijkheid bieden om een doeltreffend gebruik te maken van de dimensie der Gemeenschap en van de openstelling der openbare aanbestedingen van werken en leveringen, zodat de daartoe nodige beslissingen kunnen worden genomen.

BIJLAGE II RICHTSNOEREN BETREFFENDE EEN NIEUWE AANPAK OF HET GEBIED VAN DE TECHNISCHE HARMONISATIE EN NORMALISATIE

De nieuwe aanpak berust op de volgende vier fundamentele beginselen: - de harmonisatie van de wetgevingen is beperkt tot de aanneming, door middel van op artikel 100 van het EEG-Verdrag gebaseerde richtlijnen, van de belangrijkste veiligheidsvoorschriften (of andere voorschriften van algemeen belang) waaraan de op de markt gebrachte produkten moeten voldoen om in de Gemeenschap in het vrije verkeer te kunnen worden gebracht,

- het is de taak van de op het gebied van de industriële normalisatie bevoegde organen om, rekening houdende met de stand van de techniek, de technische specificaties op te stellen die het bedrijfsleven nodig heeft om produkten te vervaardigen en op de markt te brengen die aan de in de richtlijnen vastgestelde fundamentele voorschriften voldoen,

- deze technische specificaties zijn niet bindend en behouden hun karakter van facultatieve normen,

- maar tegelijkertijd is de overheid verplicht aan de conform de geharmoniseerde normen (of voorlopig conform nationale normen) vervaardigde produkten het vermoeden te verbinden dat deze produkten voldoen aan de "fundamentele voorschriften" die in de richtlijn werden vastgesteld (hetgeen betekent dat het de producent vrijstaat niet conform de normen te produceren maar dat hij in dat geval zelf het bewijs moet leveren dat zijn produkten voldoen aan de fundamentele voorschriften van de richtlijn).

Opdat dit systeem kan functioneren moeten de volgende voorwaarden zijn vervuld: - enerzijds moeten de normen kwaliteitsgaranties bieden ten aanzien van de in de richtlijnen vastgestelde "fundamentele voorschriften",

- anderzijds moet de overheid volledig verantwoordelijk blijven voor de bescherming van de veiligheid (of voor het doen naleven van andere voorschriften) op zijn grondgebied.

De kwaliteit van de geharmoniseerde normen moet worden gewaarborgd door normalisatieopdrachten die door de Commissie worden verstrekt en waarvan de uitvoering in overeenstemming moet zijn met de algemene richtsnoeren waarover overeenstemming is bereikt tussen de Commissie en de Europese normalisatieorganisaties. De kwaliteit van de nationale normen moet worden geverifieerd door middel van een procedure op communautair niveau onder leiding van de Commissie, bijgestaan door een permanent comité van beleidsfunctionarissen uit de nationale overheidsinstanties.

Ook moet worden voorzien in vrijwaringsprocedures, die worden beheerd door de Commissie, bijgestaan door dit comité, ten einde de bevoegde overheidsinstanties de mogelijkheid te geven de overeenstemming van een produkt, de geldigheid van een certificaat of de kwaliteit van een norm te betwisten.

Door dit stelsel van legislatieve harmonisatie toe te passen op elk gebied waarop dit mogelijk zal zijn, hoopt de Commissie de proliferatie van specifieke, uiterst technische richtlijnen voor elk produkt te kunnen stopzetten. Het toepassingsgebied van de richtlijnen volgens de formule "verwijzing naar de normen" zal in feite moeten worden afgebakend naar grote categorieën produkten en naar het type gevaar dat zij moeten bestrijken.

De Gemeenschap zal aldus enerzijds de uiterst ingewikkelde werkzaamheden ter harmonisatie van de wetgevingen op technisch gebied kunnen voltooien en anderzijds de ontwikkeling en toepassing van Europese normen kunnen bevorderen, die essentiële factoren zijn voor de verbetering van het mededingingsvermogen van de Europese industrie.

SCHEMA MET DE VOORNAAMSTE BEGINSELEN EN ELEMENTEN DIE IN HET DISPOSITIEF VAN DE RICHTLIJNEN ZOUDEN MOETEN WORDEN OPGENOMEN

A. MOTIVERING

Bij de klassieke beginselen waarop het dispositief van de richtlijn stoelt, zij gewezen op de volgende aspecten: - het is de taak van de Lid-Staten om op hun grondgebied zorg te dragen voor de veiligheid (thuis, op het werk, enz.) van personen, huisdieren en goederen of voor de naleving van andere fundamentele voorschriften voor de bescherming van het gemeenschappelijk belang zoals de bescherming van de gezondheid van de consument, van het milieu, enz., uit het oogpunt van de gevaren die het onderwerp van de richtlijn vormen (1);

- de nationale bepalingen die deze bescherming verzekeren moeten worden geharmoniseerd om het vrije verkeer van goederen mogelijk te maken, zonder dat de bestaande en gerechtvaardigde beschermingsniveau's in de Lid-Staten daardoor worden verlaagd;

- het CEN en het CENELEC (één van beide, of beide tegelijk naargelang van de door de richtlijn bestreken produkten) zijn de bevoegde organen voor de vaststelling van geharmoniseerde Europese normen op het toepassingsgebied van de richtlijn, conform de richtsnoeren waarover de Commissie, na raadpleging van de Lid-Staten, met deze organen overeenstemming heeft bereikt (2).

(1) Om praktische en redactionele redenen wordt verder in dit document alleen naar de veiligheid verwezen. (2) Voor specifieke sectoren van de industrie zou aan andere Europese organisaties die bevoegd zijn op het gebied van de uitwerking van technische specificaties kunnen worden gedacht. 1. In dit schema wordt een algemene benadering ontwikkeld die ten uitvoer zou moeten worden gelegd naargelang van de wettelijke behoeften voor sectoren of categorieën produkten en soorten gevaren, door middel van richtlijnen op grond van artikel 100 van het Verdrag.

2. De inhoud van de richtlijn zou in elk concreet geval worden bepaald door de soorten gevaren (veiligheid, gezondheid, milieu, consumentenbescherming, enz.) alsmede eventueel door de omstandigheden (thuis, op het werk, in het verkeer, bij vrijetijdsbesteding, enz.).

3. In voorkomend geval zou moeten worden gepreciseerd dat de Lid-Staten met naleving van het Gemeenschapsrecht nationale regelingen kunnen treffen betreffende gebruiksvoorwaarden van produkten die onder het toepassingsgebied van de richtlijn vallen.

4. Wat de doelstelling van het tweede beginsel betreft, is het duidelijk dat dit wordt verwezenlijkt door de vaststelling van de richtlijn zelf, conform artikel 100 van het Verdrag, daar de fundamentele veiligheidsvoorschriften die in het Verdrag zijn neergelegd het nastreven van een dergelijke doelstelling waarborgen.

B. VOORNAAMSTE ELEMENTEN I. Toepassingsgebied

Definitie van het gamma bestreken produkten en van de aard van de gevaren die moeten worden voorkomen.

Het toepassingsgebied moet zodanig worden afgebakend dat een coherente aanpak wordt gewaarborgd en dat proliferatie van richtlijnen voor specifieke produkten wordt vermeden. Bovendien moet er nota van worden genomen dat het dispositief van een dergelijke richtlijn geen hindernis vormt voor de eventuele stratificatie van verscheidene richtlijnen betreffende verschillende soorten gevaren voor een zelfde categorie produkten (bijvoorbeeld : mechanische veiligheid van een apparaat enerzijds en verontreiniging door dit apparaat anderzijds).

II. Algemene bepaling inzake het in de handel brengen

De door de richtlijn bestreken produkten mogen alleen in de handel worden gebracht indien zij de veiligheid van personen, huisdieren of goederen niet in gevaar brengen ; indien zij op passende wijze worden geïnstalleerd en onderhouden en gebruikt worden in overeenstemming met hun bestemming. 1. In de richtlijnen zou als algemene regel in een totale harmonisatie worden voorzien. Dientengevolge moet elk in de handel gebracht produkt dat onder het toepassingsgebied van de richtlijn valt daarmee in overeenstemming zijn. In bijzondere omstandigheden kan voor bepaalde produkten een optionele harmonisatie dienstig blijken. Het richtlijnschema is echter opgezet met het oog op een volledige harmonisatie.

Er kunnen passende oplossingen worden overwogen om rekening te houden met de noodzaak om in sommige Lid-Staten een harmonische ontwikkeling naar de invoering van een stelsel van verplichte reglementeringen te begeleiden, met name om te zorgen voor de totstandkoming van passende infrastructuren voor de certificering.

Punt II is derhalve een algemene bepaling waarin de verantwoordelijkheid van de Lid-Staten met betrekking tot het in de handel brengen van produkten wordt vastgesteld.

2. Met inachtneming van het algemene beginsel dat ten grondslag ligt aan het richtlijnschema, namelijk het bedrijfsleven de keuze te laten van de verklaringen van overeenstemming (natuurlijk met uitzondering van gevallen, waarin door bijzondere richtlijnen voor nader omschreven sectoren in een voorafgaande controle zou worden voorzien, als vermeld in punt VIII, sub 2), en waarbij het de Lid-Staten derhalve wordt verboden stelsels van voorafgaande controle voor het in de handel brengen in te voeren, is het duidelijk dat de nationale autoriteiten, ten einde zich van de in deze bepaling vastgestelde verantwoordelijkheid te kunnen kwijten, controles door middel van steekproeven moeten kunnen uitoefenen.

3. In bepaalde gevallen, met name met betrekking tot de bescherming van werknemers en consumenten, zouden strengere voorwaarden kunnen worden gesteld (te verwachten gebruik).

III. Fundamentele veiligheidsvoorschriften

Beschrijving van de veiligheidsvoorschriften die fundamenteel zijn voor de toepassing van de algemene bepaling van punt II waaraan alle onder de richtlijn vallende produkten moeten voldoen. 1. De fundamentele veiligheidsvoorschriften, die moeten worden nagekomen voor de in de handel gebrachte produkten, moeten voldoende nauwkeurig worden omschreven, opdat zij bij hun omzetting in het nationale recht verplichtingen kunnen vormen waarvan de niet-nakoming wordt bestraft. Zij moeten zodanig worden opgesteld dat zij het de certificeringsinstanties mogelijk maken om rechtstreeks aan de hand van deze voorschriften en bij ontstentenis van normen voor deze produkten een certificaat van overeenstemming afgeven. Naargelang van de behandelde onderwerpen zullen deze voorschriften meer of minder gedetailleerd moeten zijn. De nakoming van de fundamentele veiligheidsvoorschriften geeft aanleiding tot toepassing van de algemene bepaling van punt II.

2. Deze voorschriften kunnen alleen worden gewijzigd door een nieuwe richtlijn van de Raad op grond van artikel 100 van het Verdrag.

IV. Bepalingen inzake het vrije verkeer

Verplichting voor de Lid-Staten om onder de in punt V bedoelde voorwaarden produkten die voldoen aan de punten II en III, tot het vrije verkeer toe te laten. 1. Het vrije verkeer wordt gewaarborgd voor produkten waarvan is verklaard dat zij voldoen aan de in de richtlijn voorziene eisen inzake bescherming, zonder dat in de regel gebruik wordt gemaakt van een voorafgaande controle op de nakoming van de in punt III bedoelde voorschriften, met dien verstande dat ook in dit geval toelichting nr. 2 op punt II van toepassing is.

De interpretatie van deze bepaling mag niet ten gevolge hebben dat in de sectoriële richtlijnen systematisch afgifte van een certificaat door derden wordt vereist.

2. De betrokken richtlijnen hebben tot doel alle fundamentele eisen te dekken, maar, in het uitzonderlijke geval waarin de werkingssfeer onvolledig mocht blijken te zijn, zou een Lid-Staat nog altijd de mogelijkheid hebben om krachtens artikel 36 van het Verdrag in te grijpen.

V. Verklaringen van overeenstemming en gevolgen 1. De Lid-Staten beschouwen als aan de punten II en III te voldoen de produkten die vergezeld gaan van één van de in punt VIII beschreven certificaten waarin zij in overeenstemming worden verklaard met: a) de geharmoniseerde normen die zijn vastgesteld door de Europese normalisatieorganisatie die in het bijzonder bevoegd is uit het oogpunt van het toepassingsgebied van de richtlijn, wanneer deze normen worden vastgesteld in overeenstemming met de algemene richtsnoeren waarover overeenstemming is bereikt tussen deze organisatie en de Commissie en waarvan de referenties zijn bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, hetgeen overigens eveneens door de Lid-Staten moet geschieden;

b) of, als overgangsmaatregel, met de in paragraaf 2 bedoelde nationale normen voor zover op de door dergelijke normen bestreken gebieden geen geharmoniseerde normen bestaan.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst mede van hun nationale normen die naar hun mening beantwoorden aan de punten II en III. De Commissie deelt deze tekst onverwijld mede aan de andere Lid-Staten. De Commissie stelt volgens de in punt VI, sub 2, bedoelde procedure de Lid-Staten in kennis van de nationale normen ten aanzien waarvan het vermoeden van overeenstemming met de punten II en III geldt.

De Lid-Staten zijn gehouden bekendmaking van de referenties van deze normen te waarborgen. De Commissie draagt zorg voor de bekendmaking daarvan in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

3. De Lid-Staten aanvaarden dat de produkten waarvoor de fabrikant geen enkele norm heeft toegepast (bij ontstentenis van de sub 1 a) en b) bedoelde normen of om andere uitzonderlijke redenen), worden geacht in overeenstemming te zijn met de punten II en III wanneer hun overeenstemming wordt aangetoond aan de hand van een van de in punt VIII, sub 1 a) en b), vermelde verklaringen. 1. Alleen de in punt VIII bedoelde verklaringen brengen zonder meer het vermoeden van overeenstemming met zich mee.

2. Het vermoeden van overeenstemming wordt gevormd door het feit dat de overeenstemming van een produkt met de geharmoniseerde of nationale normen wordt aangegeven door middel van één der verklaringen van punt VIII. Wanneer het produkt niet voldoet aan een norm, omdat er geen normen bestaan of omdat de constructeur, bijvoorbeeld bij innovatie, liever andere constructiecriteria van eigen keuze toepast, wordt de overeenstemming met de punten II en III aangetoond door middel van een verklaring van een onafhankelijke organisatie.

3. In de gevallen van punt V, sub 1 en 3, zullen de Lid-Staten derhalve steeds om het vermoeden te doen gelden, het recht hebben een van de in punt VIII bedoelde verklaringen te eisen.

4. De opstelling en aanneming van de sub 1 a) bedoelde geharmoniseerde normen door het CEN en het CENELEC - die over het algemeen de "in het bijzonder bevoegde Europese normalisatieorganisaties" zijn - alsmede de verplichting tot omzetting in nationale normen, worden geregeld door het huishoudelijk reglement en de voorschriften betreffende de normalisatiewerkzaamheden van deze beide organisaties. En harmonisatie van het reglement van orde van het CEN en het CENELEC is thans in voorbereiding.

Het is echter niet uitgesloten dat de sub 1 a) bedoelde geharmoniseerde normen buiten het CEN en het CENELEC worden voorbereid door andere organisaties die deze taken op bijzondere gebieden op zich kunnen nemen ; in deze gevallen zal de vaststelling van de geharmoniseerde normen ter goedkeuring aan het CEN/CENELEC worden voorgelegd. In ieder geval moeten bij de uitwerking en vaststelling van de in punt V bedoelde geharmoniseerde normen de richtsnoeren worden gevolgd waarover overeenstemming is bereikt tussen de Commissie en deze organisaties. Deze richtsnoeren hebben met name betrekking op de volgende beginselen en voorwaarden: - de beschikbaarheid van deskundig personeel en een passende technische infrastructuur bij de normalisatieorganisatie waaraan de Commissie normalisatieopdrachten toevertrouwt;

- het hierbij betrekken van de overheidsinstanties en de belanghebbende kringen (met name producenten, gebruikers, consumenten, vakbonden);

- de vaststelling van geharmoniseerde normen, de omzetting in nationale normen of althans de annulering van afwijkende nationale normen al naargelang van de voorwaarden die door de Commissie bij de vaststelling van een normalisatieopdracht na raadpleging van de Lid-Staten zijn goedgekeurd.

5. Bij de keuze van de nationale normen wordt terdege rekening gehouden met de eventuele praktische moeilijkheden die deze keuze meebrengt.

De keuze van de nationale normen heeft slechts een voorlopig karakter. Het besluit ter zake gaat derhalve in beginsel vergezeld van een mandaat voor de bevoegde Europese organisaties om binnen een bepaalde termijn de overeenkomstige Europese normen onder bovengenoemde voorwaarden op te stellen en aan te passen.

VI. Beheer van de normlijsten 1. Wanneer een Lid-Staat of de Commissie van mening is dat de geharmoniseerde normen of de ontwerp-normen niet volledig voldoen aan de punten II en III, legt de Commissie of de Lid-Staat de aangelegenheid voor aan het Comité (punt X) met uiteenzetting van de redenen daarvoor. Het Comité brengt met spoed een advies uit.

Aan de hand van het advies van het Comité stelt de Commissie de Lid-Staten in kennis van de noodzaak al dan niet over te gaan tot de verwijdering van de norm uit de in punt V, sub 1 a), bedoelde publikaties. Zij stelt hiervan de betrokken Europese normalisatieorganisatie op de hoogte en verleent haar in voorkomend geval een nieuwe of herziene opdracht.

2. Na ontvangst van de in punt V, sub 2, bedoelde mededeling raadpleegt de Commissie het Comité. In het licht van het door het Comité uitgebrachte advies deelt de Commissie de Lid-Staten binnen een bepaalde termijn mede of voor de betrokken nationale norm al dan niet het vermoeden van overeenstemming geldt en zo ja of de referenties derhalve op nationaal niveau moeten worden gepubliceerd.

Indien de Commissie of een Lid-Staat van oordeel is dat een nationale norm niet langer aan de vereiste voorwaarden voldoet om in overeenstemming te worden geacht met de veiligheidsvoorschriften, raadpleegt de Commissie het Comité. In het licht van het advies van het Comité, stelt zij de Lid-Staat ervan in kennis of het vermoeden van overeenstemming nog of niet meer moet gelden voor de betrokken norm en of deze norm in het laatste geval uit de in punt V, sub 2, bedoelde publikaties moet worden verwijderd.

Zoals hierboven aangegeven (zie punt V, sub 2) hebben de Lid-Staten de bevoegdheid te besluiten welke van hun nationale normen zouden moeten worden geacht in overeenstemming te zijn met de punten II en III en bijgevolg zouden moeten worden onderworpen aan de procedure van bevestiging door de Commissie.

VII. Vrijwaringsclausule 1. Wanneer een Lid-Staat constateert dat een produkt een gevaar kan vormen voor de veiligheid van personen, huisdieren of goederen, neemt hij alle passende maatregelen om het betrokken produkt uit de handel te nemen, het in de handel brengen ervan te verbieden of het vrije verkeer ervan te beperken, zelfs wanneer het vergezeld gaat van een van de in punt VIII bedoelde verklaringen.

Binnen een bepaalde termijn en alleen wanneer het betrokken produkt vergezeld gaat van een der in punt VIII bedoelde verklaringen, stelt de Lid-Staat de Commissie in kennis van deze maatregel. Hij geeft de redenen voor zijn besluit aan en met name of de niet-overeenstemming voortvloeit uit: a) niet-inachtneming van de punten II en III (wanneer het produkt niet aan enigerlei norm voldoet),

b) verkeerde toepassing van de onder punt V vermelde normen,

c) een lacune in de normen zelf.

2. De Commissie treedt zo spoedig mogelijk in overleg met de betrokken Lid-Staten. Indien de Lid-Staat die de maatregelen genomen heeft voornemens is deze te handhaven, legt de Commissie de kwestie binnen een bepaalde termijn voor aan het Comité. Wanneer de Commissie na raadpleging van het Comité constateert dat de maatregelen gerechtvaardigd zijn, bevestigt zij dit eveneens binnen een bepaalde termijn aan de Lid-Staat die de maatregelen heeft genomen en herinnert zij de andere Lid-Staten aan de op hen (onder gelijke omstandigheden) rustende verplichting om het op de markt brengen van het betrokken produkt eveneens te verbieden.

3. wanneer de niet-overeenstemming van het produkt met de punten II en III het gevolg is van een lacune in de geharmoniseerde of nationale normen, vloeien daaruit de gevolgen voort die zijn beschreven in punt VI.

4. Wanneer het niet in overeenstemming zijnde produkt vergezeld gaat van een verklaring die hetzij is afgegeven door een onafhankelijke instantie, hetzij door de fabrikant, neemt de bevoegde Lid-Staat ten aanzien van de opsteller van de verklaring de nodige maatregelen en stelt hij de Commissie en de andere Lid-Staten hiervan in kennis.

5. De Commissie draagt er zorg voor dat de Lid-Staten op de hoogte worden gehouden van het verloop en van de resultaten van deze procedure.

In dit punt worden de gevolgen beschreven van een gerechtvaardigd lijkend beroep van de Lid-Staten op de vrijwaringsclausule. Het geeft geen enkele indicatie over de gevolgen van het beroep wanneer dit daarentegen na de afloop van de communautaire onderzoekprocedure niet gerechtvaardigd blijkt te zijn, aangezien in deze gevallen de algemene Verdragsregels van toepassing zijn.

VIII. Verklaringen van overeenstemming 1. De in punt V bedoelde verklaringen die door het bedrijfsleven kunnen worden gebruikt zijn: a) certificaten of merktekens van overeenstemming, afgegeven door een derde;

b) resultaten van door een derde verrichte proeven;

c) door de fabrikant of door diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde afgegeven verklaring van overeenstemming. Er kan worden geëist dat er in dit geval een systeem van toezicht bestaat;

d) andere eventueel in de richtlijn vast te stellen verklaringen.

2. Al naar gelang van de door de richtlijnen bestreken produkten en gevaren kan de keuze van het bedrijfsleven tussen deze verschillende verklaringen worden beperkt of zelfs opgeheven.

3. ledere Lid-Staat stelt de Commissie en de andere Lid-Staten in kennis van de nationale instanties die een merkteken of certificaat van overeenstemming mogen afgeven. 1. In de specifieke richtlijnen zullen de passende verklaringen worden vastgesteld en uitgewerkt met inaanmerkingneming van de specifieke behoeften van hun toepassingsgebied. Er zij opgemerkt dat de door de Lid-Staten voor de gevallen sub a) en b) aangewezen certificeringsinstanties met name moeten optreden als er geen normen bestaan of de fabrikant de normen niet heeft toegepast (zie punt V, sub 3).

2. De sub 3 bedoelde instanties dienen hun taken uit te oefenen in overeenstemming met de op internationaal niveau en met name in de ISO-gidsen erkende praktijken en beginselen. De verantwoordelijkheid voor de controle op de werking van deze instanties berust bij de Lid-Staten. Aan het in punt IX bedoelde Comité kunnen vragen worden voorgelegd betreffende de uitvoering van de proeven en de afgifte van certificaten.

3. Bij verklaringen van overeenstemming van de fabrikant hebben de nationale autoriteiten, wanneer zij gegronde redenen hebben aan te nemen dat een produkt niet in alle opzichten de vereiste veiligheid biedt, het recht van de producent of importeur te verlangen dat hij gegevens overlegt betreffende de uitgevoerde veiligheidstests. Een weigering van de producent of de importeur om de gegevens te verstrekken vormt een voldoende reden om het vermoeden van overeenstemming in twijfel te trekken.

4. De vaststelling van een limitatieve lijst van verklaringen betreft alleen het stelsel van het vermoeden van overeenstemming, doch kan niet ten gevolge hebben dat de mogelijkheid voor het bedrijfsleven wordt beperkt om in het kader van een betwisting of gerechtelijke procedure met alle ter beschikking staande middelen het bewijs te leveren van de overeenstemming van het produkt met de punten II en III.

IX. Permanent Comité

De oprichting van een Permanent Comité, samengesteld uit door de Lid-Staten aangewezen vertegenwoordigers, die zich kunnen doen bijstaan door deskundigen of adviseurs, en dat wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie.

Het Comité wordt bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van een Lid-Staat.

Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

X. Taken en werking van het Permanent Comité 1. Het Comité oefent de taken uit die het krachtens de voorgaande punten zijn toevertrouwd.

2. Aan het Comité kan voorts elk vraagstuk met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de richtlijn worden voorgelegd.

De taken van het Comité hebben betrekking op de uitvoering van de richtlijn. De voorziene raadpleging van het Comité vóór de bekendmaking van de referenties van de nationale normen heeft meer ten doel een kader te bieden voor de bespreking van de eventueel door de Commissie of door een Lid-Staat gemaakte bezwaren dan een systematisch onderzoek van de totaliteit van de inhoud van de normen te verrichten.

Criteria voor de keuze van de prioritaire terreinen waarop met de toepassing van de aanpak kan worden begonnen

1. De noodzaak een nieuwe weg in te slaan bij de harmonisatie van de technische regelingen, op basis van de methode van "verwijzing naar de normen" en volgens het zojuist beschreven schema vloeit voort uit een geheel van voorwaarden (die zijn toegelicht in het eerste gedeelte van deze mededeling) welke berusten op de door de Gemeenschap tot nog toe verkregen ervaring. Het gaat dientengevolge om een beginsel van algemene draagwijdte waarvan de geldigheid concreet zou moeten worden beoordeeld op de verschillende gebieden waarop het zal worden toegepast.

De Raad heeft zich overigens in deze zin uitgesproken in zijn "conclusies" van 16 juli 1984 waarbij algemenerwijze werd gewezen op de noodzaak de praktijk van de "verwijzing naar de normen" uit te breiden, doch voor zover de daartoe noodzakelijke voorwaarden aanwezig zijn, dat wil zeggen de voorwaarden die betrekking hebben op de verplichting van de overheid te zorgen voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van haar onderdanen.

2. Voor de keuze van de prioritaire terreinen waarop met de toepassing van de aanpak moet worden begonnen, moeten derhalve in eerste instantie een aantal selectiecriteria worden vastgesteld, die alle te zamen in overweging moeten worden genomen: a) daar de aanpak behelst dat de "fundamentele voorschriften" worden geharmoniseerd en verplicht gesteld door richtlijnen op basis van artikel 100 van het Verdrag, zal de techniek van de "verwijzing naar de normen" alleen geschikt zijn voor terreinen waarop het onderscheid tussen "fundamentele voorschriften" en "produktiespecificaties" werkelijk mogelijk zal zijn. Met andere woorden, op alle terreinen waarop de fundamentele voorschriften van algemeen belang van dien aard zijn dat zij een aanzienlijke hoeveelheid produktiespecificaties moeten inhouden opdat de overheid haar verantwoordelijkheid ten volle op zich kan nemen met betrekking tot de bescherming van zijn onderdanen, zijn de voorwaarden voor gebruikmaking van de methode van "verwijzing naar de normen" niet aanwezig, omdat deze dan gevaar loopt zijn bestaansreden te verliezen. Op basis van deze constatering lijken de terreinen die tot de bescherming van de veiligheid behoren, zeker voorrang te moeten hebben op die waarop de bescherming van de menselijke gezondheid in het geding is (hetgeen overigens overeenkomt met het toepassingsgebied van Richtlijn 83/189/EEG).

b) Opdat "verwijzing naar de normen" mogelijk is, moet het betrokken terrein het onderwerp vormen of kunnen vormen van een normalisatieactiviteit. De terreinen waarvan het in beginsel weinig waarschijnlijk is dat zij het onderwerp vormen van een dergelijke activiteit zijn zeker de sub a) bedoelde terreinen ten aanzien waarvan de noodzaak van een regeling algemeen op communautair niveau wordt gevoeld. Op de andere terreinen daarentegen bestaat een normalisatiecapaciteit of is zij potentieel aanwezig en moet het communautaire optreden in het laatstgenoemde geval deze stimuleren door nauw samen te werken met het bedrijfsleven enerzijds en de Europese normalisatieorganisaties anderzijds, rekening houdend met de consumentenbelangen.

c) De vooruitgang van de technische harmonisatiewerkzaamheden in de Gemeenschap op basis van het algemeen programma dat bij resoluties van de Raad in 1969 en 1973 is opgesteld, is in feite zeer ongelijk, al naar gelang van de betrokken industriesectoren. Wat meer bijzonder de sector van de been verwerkende industrie betreft (die a priori beter lijkt te beantwoorden aan de zojuist voorgelegde criteria), kan geconstateerd worden dat de meeste vastgestelde richtlijnen drie terreinen betreffen : motorvoertuigen, metrologie en elektrische apparaten.

Daarmee rekening houdend zou de nieuwe aanpak zich vooral moeten concentreren op andere terreinen waarop communautaire actie ontbreekt (bijvoorbeeld veel mechanische produkten en bouwmaterialen), zonder dat een reeds ver gevorderde regeling weer in het geding wordt gebracht (zoals bijvoorbeeld op het gebied van de regelingen voor motorvoertuigen). Daarentegen ligt de zaak anders bij elektrische apparaten, het enige terrein dat bestreken wordt door een richtlijn van het type "verwijzing naar de normen" en dat zeker verdient te worden opgenomen onder de prioritaire terreinen met betrekking tot alle produkten die nog niet worden bestreken, gezien de uiterst belangrijke rol die op die gebieden door de internationale en Europese normalisatie wordt gespeeld.

d) Een der voornaamste doelstellingen van de nieuwe aanpak is het ineens kunnen regelen, met de vaststelling van één enkele richtlijn, van de regelgevende problemen voor een zeer groot aantal produkten zonder dat deze richtlijn veelvuldig moet worden aangepast of gewijzigd. Dientengevolge moeten de gekozen terreinen gekenmerkt worden door het bestaan van een groot gamma produkten met een zodanige homogeniteit, dat zij de definitie van gemeenschappelijke "fundamentele voorschriften" mogelijk maakt. Dit criterium van algemene draagwijdte is echter vooral gebaseerd op overwegingen van praktische aard en van arbeidsbesparing. Niets belet immers dat in bepaalde gevallen voor één enkel type produkt een regeling wordt getroffen aan de hand van de formule "verwijzing naar de normen", indien alle hierboven genoemde criteria aanwezig zijn.

e) Tenslotte moet worden herinnerd aan een criterium dat de Commissie, in overeenstemming met het bedrijfsleven, steeds als een onmisbare voorwaarde heeft beschouwd. Uitgangspunt moet zijn dat het bestaan van uiteenlopende regelingen inderdaad op praktisch niveau nadelig is voor het vrije verkeer van goederen. In bepaalde gevallen zou echter, zelfs indien een dergelijke motivering niet vanzelfsprekend is, een richtlijn ook noodzakelijk kunnen blijken om een fundamenteel algemeen belang op uniforme wijze voor de gehele Gemeenschap te beschermen.